Uitleg van de DJ basics
Dus je wilt een DJ worden maar je weet niet hoe te beginnen? De uitleg hieronder zou een antwoord moeten geven op de meeste vragen.
Als je toch nog vragen hebt, bel ons op 023-5749408 of neem contact met ons op via het contactformulier.
- Apparatuur
- Hoe je apparatuur aan te sluiten
- Het kiezen van de apparatuur
- Leren mixen
- Beat structuren
- Mix technieken
1 Apparatuur
Als je vinyl wilt gaan draaien, dan zijn er een paar basis artikelen die je nodig hebt:
- Twee draaitafels
- Twee slipmatten (indien niet bij de draaitafels inbegrepen)
- Twee elementen (met naald) voor de draaitafels
- Een mengpaneel
- Een koptelefoon
- Iets om het signaal te versterken (actieve boxen, een stereo installatie of versterker)
- Eventueel nog speakers
Als je CD spelers gaat gebruiken in plaats van draaitafels, dan heb je de slipmatten, elementen en naalden niet nodig. Al het andere blijft hetzelfde.
2 Hoe de apparatuur aan te sluiten
Het mengpaneel is ‘het brein’ van je DJ installatie. Alle signalen lopen via je mixer die een stereo (links en rechts) signaal produceert, hetgeen uiteindelijk door een versterker wordt versterkt, die op zijn beurt weer de speakers aanstuurt.
Om het helder te houden, zullen we in de uitleg gebruik maken van een mixer met twee kanalen (CH1 en CH2) en drie outputs – Master, Booth en Record.
De drie belangrijke dingen die je moet onthouden bij het aansluiten van je mixer zijn deze:
- Sluit de kleuren (wit of zwart en rood) op elkaar aan
- Verzeker jezelf ervan de juiste inputs te gebruiken
- Sluit de aarde draad aan (bij het gebruik van draaitafels)
2.1 Draaitafels aansluiten
Kijk naar de draden die uit de onderkant of achterkant van je draaitafel komen. Je zult twee phono (of RCA) stekkertjes vinden en een dunne draad met een haakje aan het einde.
De twee phono/RCA stekkers zullen verschillende kleuren hebben. De ene zal rood zijn, de andere is meestal wit, maar kan ook geel of zwart zijn. De belangrijkste is de rode, omdat het eigenlijk altijd een vaste afspraak is deze rood te hebben.
(Tip: de rode is de rechter input, R ood – R echts).
Je zult zien dat er op de mixer bij elk kanaal een input voor ‘phono’ en een input voor ‘line’ is. Draaitafels gaan in de phono input, alle andere apparatuur in de line input.
Je hebt dus deze draden. Gewoonlijk sluit je de linker draaitafel aan op kanaal 1 (CH1) en de rechter op kanaal 2 (CH2). Sluit het rode phono/RCA stekkertje van de linker draaitafel aan op de rood gemerkte aansluiting (waar phono bij staat) van CH1. Sluit het andere stekkertje aan op de andere phono aansluiting van CH1. Doe hetzelfde met de rechter draaitafel – rood op rood, andere stekkertje op de andere aansluiting.
Het dunne draadje met het haakje of draad uiteinde sluit je aan op de kleine schroef op de achterkant van de mixer, waar meestal ‘ground’ bij staat (of ‘GND’ of ‘earth’). Doe dit door het schroefje/de aansluiting op de achterkant van de mixer los te draaien, plaats de metalen uiteinden van beide aarde-draadjes in de ruimte die je gecreëerd hebt door de schroef los te draaien. Draai de schroef dan weer aan, zodat je de twee uiteinden tegen de mixer aan schroeft. Je hebt de draaitafels nu geaard.
Sommige draaitafels kunnen omgeschakeld worden tussen 110/230 volts. Zorg ervoor dat de draaitafel op het juiste voltage staat ingesteld (op de Technics SL-1200 en SL-1210’s bevindt deze schakelaar zich onder de draaischijf).
2.2 Elementen en naalden
Cartridges geven de vibraties door die veroorzaakt worden door de groeven in de plaat. De naald (of stylus) zelf ligt in de groef van de plaat, waardoor deze gaat vibreren als de plaat draait. De cartridge draagt de naald en is op de headshell bevestigd (in het geval van elementen in de vorm van bijvoorbeeld de Stanton 500), welke weer is bevestigd aan de toonarm. Deze componenten vertalen gezamenlijk de vibraties in een elektronisch signaal dat de muziek produceert die je hoort.
Je toonarm/element juist installeren is cruciaal voor optimaal geluid en optimale performance. Sommige elementen (zoals de Shure M44-7, Stanton 500, Ortofon OM Pro), dien je op de headshell te monteren met behulp van plaatjes en schroeven. Sommige elementen worden geleverd met headshell-gewichtjes, het is aan te bevelen deze niet te gebruiken tenzij de naald onvoldoende druk heeft bij normale installatie. Andere elementen (zoals de Ortofon Concorde serie, Shure M44-7 H, Stanton Trackmaster/Groovemaster/Discmaster, etc) hebben een eigen montagesysteem, zodat je niet een aparte headshell nodig hebt. Ze zijn intern bedraad.
* Veel mensen vragen of bepaaldfe elementen passen bij de draaitafel die ze gebruiken. Het antwoord is dat tegenwoordig vrijwel elk element op de markt zal passen bij je draaitafel, omdat ze zijn ontworpen naar universelen standaarden, in termen van design en montage.
Headshell installatie
Na het element op de headshell gemonteerd te hebben, moet je de headshell aan de toonarm monteren. Terwijl je het uiteinde van de toonarm in je ene hand houd, plaats je met je andere hand de element/headshell combinatie in het uiteinde van de arm. Draai de vergrendelings ring in de richting van de klok (van achter je draaitafel gezien) totdat het element of de headshell stevig aan de toonarm bevestigd is. Verwijder de naaldbescherming van de naald en bevestig de naald zonodig nog aan het element. Bekijk de naald vanaf de voorkant en verzeker jezelf ervan dat de naald loodrecht op de plaat staat. Dit kun je in de meeste gevallen nog afstellen door de vergrendelings ring van de toonarm los te draaien, de headshell-combinatie te draaien en de ring weer vast te draaien.
Balanceren van de toonarm
Nu ga je de tracking force instellen. Zorg ervoor dat je een naald hebt bevestigd en dat er een plaat op je slipmat ligt. Zet de anti-skate knop op ‘0’. Zorg ervoor dat je de naald niet op de plaat laat vallen. Terwijl je de toonarm lichtjes vasthoudt, draai je het gewicht aan de achterkant van de toonarm net zo lang totdat de toonarm precies in balans is. De toonarm ligt dan dus parallel aan de plaat. Zodra dit het geval is, draai je de plastic ring van het gewicht (die de naald druk aangeeft) totdat deze op ‘0’ staat. Zorg ervoor dat je het gewicht niet per ongeluk meedraait. Nu draai je het gewicht zelf naar voren (naar de naald toe), totdat je de gewenste naald druk hebt gevonden (het streepje aan de bovenkant van de toonarm geeft op de ring de naald druk aan. In veel gevallen gebruiken DJ´s thuis een naalddruk van ongeveer 3, maar dit verschilt heel erg per element. In clubs of op feesten is het gewicht meestal maximaal naar voren gedraaid. Houd er rekening mee dat je naald en de plaat nu sneller slijten.
Anti-skate
Anti-skating zorgt ervoor dat de naald gecentreerd in de groef blijft tijdens het draaien. Maar anti-skate zal er voor zorgen dat de naald uit de groef springt als je het gebruikt bij scratchen of bij ´back cue-en´. Om anti-skating in te stellen voor normaal afspelen, draai je simpelweg de knop naar het getal dat overeenkomt met de naald druk. (bv. 1 gram naald druk = 1 gram anti-skate). Indien je een draaitafel met een rechte toonarm gebruikt of scratcht, zet je de anti-skate op ´0´.
Hoogte afstelling van de toonarm
Dit is de laatste afstelling en deze gebruik je om de hoek van de toonarm ten opzichte van de plaat in te stellen. Voor de meeste toepassingen moeten de toonarm en naald parallel aan de plaat blijven. Ontgrendel de toonarm vergrendeling die op de basis van de toonarm te vinden is. Draai de hoogte afstellings ring totdat je de juiste hoogte voor je element hebt gevonden. Vergeet niet de toonarm vergrendeling opnieuw te vergrendelen als je klaar bent.
2.3 Het aansluiten van CD/Tape/MD/MP3, etc.
In principe werkt dit hetzelfde als bij draaitafels, maar het grote verschil is dat deze kabels in de ‘line’ input op de achterkant van de mixer. Je hebt ook niet te maken met een aarde draad.
Kijk naar de bovenkant van de mixer (waar alle knoppen zitten). Je zult een schakelaar zien waar PHONE/LINE bij staat. Zet bij elk kanaal de schakelaar op de juiste bron die je aan hebt aangesloten. Als je op kanaal 1 (CH1) een draaitafel hebt aangesloten, zet dan de schakelaar op PHONO, als je een cd-speler of ander apparaat hebt aangesloten, zet deze dan op LINE.
Je hebt alle inputs aangesloten op je mixer. Zet alle apparatuur aan, zorg ervoor dat de gain control niet op 0 staat (hetzelfde geldt voor de master control), beweeg de faders van de kanalen omhoog en de crossfader heen en weer. Kijk naar de LED’s op de mixer die laten zien dat er een signaal binnenkomt; als ze oplichten is het goed, anders ben je vergeten de mixer aan te doen of is er iets mis met de aansluitingen.
2.4 Outputs
Op de meeste mixers vind je een MASTER output die aan wordt gesloten op een versterker, een REC (record) output die naar een tape recorder/MiniDisc gaat en een BOOTH output, die op aparte monitor speakers in de DJ booth wordt aangesloten om de mix te monitoren. Je kunt de BOOTH output ook op opname apparatuur aanlsuiten als je geen record output hebt.
Master output
Deze output gaat naar de versterker. Je kunt een standaard versterker gebruiken of andere apparatuur die het signaal versterkt voordat het naar de speakers gaat. Het kan een stereo receiver zijn of een set actieve speakers (speakers met ingebouwde versterker). Het belangrijkste is dat het signaal dat uit de mixer komt wordt versterkt tot een niveau waarop het een set speakers kan aansturen.
Kijk op de achterkant van het systeem dat je gebruikt om het signaal te versterken. Als het een aparte versterker is dan zul je een aantal inputs op de achterkant vinden; bij een daarvan kan PHONO staan, bij een andere LINE IN, en bij weer andere MIC. Zorg ervoor dat je de mixer aansluit op een LINE IN aansluiting. Ook wanneer je alleen draaitafels hebt aangesloten op je mixer is het signaal dat uit de mixer komt op LINE niveau, niet op PHONO niveau.
Als je een stereo installatie gebruikt, kijk dan naar de bruikbare ingangen op de achterkant. Je hebt kan dat het er tenminste drie zijn. Er kan een PHONO aansluiting zijn (die alleen bedoeld is om een draaitafel rechtstreeks op aan te sluiten), een CD aansluiting en een AUX/TV ingang (er kan ook LINE IN bij staan). Je kunt waarschijnlijk het beste de AUX/TV ingang gebruiken (omdat je misschien al een cd-speler hebt aangesloten), maar als je geen AUX/TV input hebt, of als je deze ergens anders voor wilt gebruiken, dan kun je de master output van je mixer ook aansluiten op de CD input van je versterker.
Als je actieve speakers gebruikt, zoals de JBL Eon’s, dan sluit je de tulpkabel die je in de MASTER output hebt gestopt direct aan op de speakers. Als het een eenvoudige set speakers is, dan kan het zijn dat er alleen een 1/8” jack aansluiting op zit (eenzelfde stekkertje als bij een walkman bijvoorbeeld). Als dit zo is, moet je een adapter of speciaal kabeltje aanschaffen zodat je de tulp (master) uitgang van je mixer er op aan kan sluiten.
*Soms vragen mensen zich af wat de voor- en nadelen zijn van actieve speakers tegenover een aparte versterker en boxen. In de meeste gevallen prefereren drive-in DJ’s actieve speakers, omdat ze dan geen zware versterker mee hoeven te slepen. Ze zijn ook eenvoudiger op te stellen, nemen minder ruimte in en het is over het algemeen makkelijker eventuele problemen op te lossen. Anderszijds zit je gelijk zonder versterker EN speakers al ser iets mis gaat met één van de twee. Voor wat betreft het aansluiten: volg hetzelfde principe als bij het aansluiten van je draaitafels op de mixer. Rood in rood (rechts) en de andere op de andere aansluiting.
Het gebruiken van losse componenten maakt het veel eenvoudiger om uit te breiden als je daar aan toe bent. Je kunt altijd meer versterkers en meer speakers aansluiten om het vermogen te vergroten. Het kan wat tricky worden je set uit te breiden met actieve speakers.
REC output
Deze gebruik je om het signaal naar een aparte tape recorder, MiniDisc speler of een ander opname apparaat te sturen (als je cassette recorder onderdeel is van je stereo installatie negeer deze uitgang dan, gebruik dan nog steeds gewoon de master output voor de stereo).
Kijk op de achterkant van je (cassette) recorder. Je zou twee aansluitingen moeten aantreffen, een waar LINE IN (of REC) bij staat en een andere waar LINE OUT (of PLAY) bij staat. Je moet de LINE IN (REC) aansluiting gebruiken. Sluit op dezelfde wijze aan als bij je versterker.
Booth output
Volg dezelfde aanwijzingen als bij de MASTER output. Het mooie van deze aansluiting is dat je het volume van je monitorspeakers kunt verstellen (zodat je onder de optimale omstandigheden kunt mixen), zonder dat dit invloed heeft op het volume van de zaal of van de opname die je maakt.
2.5 Troubleshooting
Vraag 1: Ik heb alles aangesloten, maar ik hoor niets door de koptelefoon die ik op de mixer heb aangesloten.
A – 1: Heb je de koptelefoon goed aangesloten, het volume open gedraaid en voorbeluistering (PFL/CUE) van het goede kanaal ingeschakeld? A – 2: Staat de schakelaar tussen LINE en PHONO goed? A – 3: Staat de mixer wel aan? A – 4: Heb je het afspeelapparaat (CD/draaitafel) op het kanaal aangesloten dat je wilt horen? Check alle andere kanalen om te horen of je het afspeelapparaat niet daar door hoort; zo wel, sluit deze dan aan op het goede kanaal.
Vraag 2: Alles speelt goed af door de mixer, maar ik hoor niets door de versterker/boxen
A – 1: Staat de versterker aan, het volume open en in de goede stand (bv AUX/TV)? A – 2: Zijn de boxen juist aangesloten op de versterker? (sluit een koptelefoon aan op de versterker, kijk of je dan iets hoort) A – 3: Heb je de juiste input van de versterker gebruikt en de juiste output van de mixer? A – 4: Staat de master van de mixer wel open?
Vraag 3: Waarom vervormt het geluid gruwelijk als ik mijn cd-spelers gebruik?
A – 1: Controleer de aansluiting van je cd spelers op de mixer. Verzeker jezelf ervan dat je de LINE input gebruikt hebt. Het geluid zal zwaar vervormen als je per ongeluk de PHONO inputs gebruikt.
Vraag 4: Waarom is alles stil als ik mijn draaitafels gebruik, ook als alles maximaal open staat?
A – 1: Controleer of je de draaitafels wel in de PHONO inputs hebt gestopt. Als je de LINE input hebt gebruikt, zullen ze erg stil zijn.
Vraag 5: Alles klinkt goed via de mixer, maar vervormt via de versterker
A – 1: Heb je het input niveau op de versterker te hoog gezet? Stel het naar beneden bij en kijk of dat helpt. A – 2: Hoe hoog is het geluidsniveau dat je door de mixer blaast? (Probeer niet boven de +5 dB uit te komen) A – 3: Controleer of je per ongeluk de PHONO input hebt gebruikt (verander dit naar een LINE IN - bijvoorbeeld AUX/TV - input)
Er zijn overigens honderd dingen die mis kunnen gaan. Stuur ons een e-mail als je er niet uit komt.
3. Het kiezen van je apparatuur
De meeste experts zeggen dat het verstandig is zoveel mogelijk uit te geven aan je draaitafels en wat je over hebt aan de rest van de apparatuur. Je kunt zonder veel problemen een redelijke mixer gebruiken met goede draaitafels, maar zelfs de beste mixer kan slechte draaitafels niet compenseren. Bovendien is het upgraden van een mixer beter te doen dan het upgraden van draaitafels, als het eenmaal zo ver is.
Draaitafels
Het eerste waar je jezelf van moet verzekeren is dat er pitch control op je draaitafels zit, waarmee je de draaisnelheid van de plaat kunt afstellen. Alleen een keuzemogelijkheid tussen 33 of 45 toeren per minuut is niet voldoende. Je hebt de mogelijkheid nodig om de plaat TENMINSTE 8 procent sneller of langzamer te laten draaien (+/- 8%). Een schuif-pitch control aan de rechterkant is het meest wenselijk en is de gebruikelijke standaard. Een lange schuif-pitch maakt een preciezere afstelling mogelijk dan een draai-pitch aan de voorkant van de draaitafel.
De volgende, en grootste keuze die je moet maken als je een beperkt budget hebt, is of je DIRECT AANGEDREVEN (direct drive) of SNAAR AANGEDREVEN (belt drive) draaitafels koopt. Direct aangedreven draaitafels hebben absoluut de voorkeur. Snaar aangedreven draaitafels maken gebruik van een rubberen snaar en een indirect mechanisme om de draaischijf te laten draaien; een hoop kracht en precisie raakt verloren bij die overbrenging. Dit betekent dat de pitch instelling die je kiest misschien niet lang genoeg in stand blijft, zodat de snelheid of het tempo van het nummer dat je draait verandert, waardoor je problemen kunt krijgen bij het (beat)mixen. Het betekent ook dat de draaitafel wellicht niet de kracht heeft (of TORQUE) om scratchen aan te kunnen, of zelfs niet om back-cueing aan te kunnen (het met de hand terugdraaien van de plaat naar een bepaald punt). Bovendien heeft de draaitafel een relatief trage opstart tijd.
Slipmatten
Het doel van slipmatten is de frictie tussen de plaat en de draaitafel te verlagen, zodat je de plaat stil kan houden terwijl de draaischijf van de draaitafel gewoon door draait.
Zorg ervoor dat je de rubberen mat die bij veel draaitafels standaard wordt meegeleverd niet gebruikt. Op de draaischijf van de draaitafel gaat eerst een slipmat, daarop een plaat. Als je het idee hebt dat de slipmat onvoldoende werkt, kun je overigens ook een extra slipsheet onder de slipmat gebruiken (los verkrijgbaar, bijvoorbeeld van Vestax) of een rondje uit de binnenhoes van een plaat te knippen en deze te gebruiken onder de slipmat.
Mixers
Het doel van de mixer is het geluid dat je hoort te kunnen wisselen tussen de afspeelapparaten die je gebruikt, zonder dat er een stilte of onderbreking hoeft te vallen. Normaal gesproken sluit je deck 1 aan op CH1 en deck 2 op CH2. Om van kanaal te wisselen zit er meestal een crossfader op de mixer, die – wanneer je hem heen en weer beweegt – het geluid van het ene en/of het andere deck doorgeeft.
De problemen die je kunt ervaren met een simpele mixer zullen hoogstens te maken hebben met de geluidskwaliteit ervan, mits de mixer de basisfuncties (toonregeling, gain, voorbeluistering etc) heeft. De meeste mixers hebben een koptelefoon cue functie. Daarmee kun je luisteren naar het ‘cue’ apparaat dat op dat moment NIET uit de speakers klinkt (monitoren). Een eventuele ‘cue split’ functie maakt het mogelijk tegelijkertijd naar het ‘cue’ apparaat (bv. de draaitafel die niet door de boxen klinkt) en naar het ‘master’ apparaat (dat wel door de boxen klinkt) te luisteren via de koptelefoon, al dan niet via verschillende kanten van de koptelefoon (bv. het ‘cue’ apparaat via links, het door de boxen afspelende apparaat via rechts). Vaak heb je ook de mogelijkheid het volume van beide afzonderlijk af te stellen. Met dit alles kun preciezer de beats gelijk krijgen.
Koptelefoon
Onderschat niet het belang van een goede koptelefoon. Als je midden in een lawaaierige booth staat, is een goede koptelefoon je enige redding bij het monitoren en het maken van een goede mix.
Belangrijke dingen bij het aanschaffen van een koptelefoon: - Lichtgewicht; zodat hij je oren en hoofd geen pijn doet als je hem een aantal uur op hebt - Gesloten design (afsluitende oorschelpen); zodat er veel van het achtergrondlawaai gedempt wordt - Lage impedantie - Wijde frequentie respons - Hoge geluidsdruk (gemeten in dB)
De professionele Sony, Pioneer en Technics DJ koptelefoons hebben zeer wendbare oorschelpen zodat monitoring met één oor comfortabeler kan. Waarschijnlijk is een koptelefoon met een snoer aan één kant de beste optie, zodat je niet eindigt met snoeren om je nek gewikkeld.
Versterkers
Het signaal dat uit de mixer komt is nauwelijks voldoende om je koptelefoon aan te sturen, dus je hebt een apparaat npdig dat dit signaal versterkt zodat het mogelijk wordt een set speakers aan te sturen.
Je kunt hier op drie manieren voor zorgen: 1. Koop een aparte versterker en speakers. Dit kan wat kosten, maar is een hele goede manier. 2. Sluit de master output van de mixer met een tulpkabel aan op de CD of AUX/TV ingang van je stereo installatie (als je er een hebt) 3. Gebruik actieve speakers. Dit zijn speakers met ingebouwde versterker, dus je sluit deze ook aan op netstroom.
4. Leren mixen
Plaats twee identieke platen/CD’s op/in je decks en zet de pitch op ‘0’. In de meeste gevallen zal er nu een groen lampje branden waaraan je kunt zien dat de pitch op 0 staat. Als je de decks tegelijk start zouden de twee nummers gelijk moeten lopen, dus je hoeft je geen zorgen te maken over de pitch control.
Stel je mixer zo in dat allebei de kanaal faders omhoog staan en de crossfader in het midden. Dit betekent dat je beide afspeelapparaten zult horen als deze lopen. Laat de koptelefoon er nog even buiten.
Neem een van de draaitafels en zet de naald vlak voor het begin van de plaat en laat deze draaien. Plaats zodra je het begin van het nummer hoort voorzichtig je vinger op de plaat en draai deze voorzichtig terug tot je langs de eerste beat van het nummer komt.
Draai nu (met je vinger nog steeds op de plaat) de plaat een beetje met de klok mee, tot je de bass beat hoort. Draai dan een klein beetje terug tot je het begin van deze beat te pakken hebt. Sommige mensen zullen adviseren dat het goed is een beetje met deze beat te scratchen (door de plaat over deze beat heen en weer te bewegen), zodat je een beetje vertrouwd raakt met de positie van de beat op de plaat.
Druk nu op stop, zodat de naald precies voor de beat blijft staan als je je vinger los laat. Start de andere draaitafel en laat deze spelen. Luister naar de muziek die je hoort en hoor waar de bass beats zitten.
Ga terug naar de stilstaande draaitafel. Leg voorzichtig je vinger op deze plaat en druk op start. De draaischijf zou nu moeten draaien onder de stilstaande plaat.
De ene plaat (master) speelt nu dus luid via de speakers, de andere (cue) heb jij met je vinger vast. Probeer de stilstaande plaat over de eerste beat heen en weer te bewegen op het ritme van de plaat die je hoort. Laat dan, als je een beetje feeling hebt gekregen met de beats, en je denkt dat je de plaat die je stil houdt precies los kunt laten op het moment dat de eerste beat in een maat van de andere plaat gaat klinken, doe dit dan.
Er bestaat een goede kans dat je hem niet hebt los gelaten op een moment dat de platen mooi samen klinken, maar zolang de bass drums maar tegelijk klinken zit je voorlopig goed.
OK. Je hebt de volgende plaat los gelaten. Er zijn verschillende mogelijkheden:
1. Je hebt de plaat exact op tijd los gelaten 2. Je hebt de plaat te vroeg los gelaten (stop de nieuwe plaat, draai deze terug en probeer opieuw) 3. Je hebt de plaat te laat los gelaten (idem)
Twee en drie zijn gebruikelijke problemen. Waarschijnlijk twijfelde je op het laatste moment en liet je de plaat te snel of te laat los, of misschien draaide de draaischijf niet op volle snelheid toen je de plaat los liet, zodat de plaat, hoewel je deze op tijd los liet, niet gelijk loopt met de reeds spelende plaat (iets achter loopt). Wat je kunt doen om dit probleem te voorkomen, is de plaat een klein zetje te geven wanneer je deze los laat, zodat de plaat direct de goede snelheid heeft en de beats van de verschillende platen hopelijk precies gelijk vallen.
Blijf aan de gang. Herstart steeds en blijf herhalen tot je denkt dat je het een beetje onder de knie hebt.
De volgende stap is leren kleine ongeregeldheden te herstellen, zonder opnieuw te hoeven beginnen. Dat is lastig, want je moet dan weten wat je precies verkeerd hebt gedaan. De manier waarop je kunt bijstellen is echter eenvoudig.
Er zijn verschillende methoden:
Als je de plaat te snel los liet, en dus vooruit loopt op de plaat die al speelt, dan moet je de plaat iets afremmen. Verreweg de veiligste en makkelijkste manier om dit te doen is je vinger even tegen de zijkant van de draaischijf te houden (waar de uitsteekseltjes zitten) en een beetje druk uit te oefenen, zodat de schijf een klein beetje vertraging krijgt. Zodra de beats precies gelijk lopen kun je je vinger los laten.
Als je de plaat te laat los liet, en deze dus achterloopt bij de plaat die speelt, moet je er dus voor zorgen dat de nieuwe plaat even wat sneller gaat, zodat de beats gelijk komen te lopen. Sommige DJ’s plaatsen hun vinger op het label van de plaat, en ‘helpen’ de plaat een beetje sneller te draaien. Er kunnen hierbij echter wel wat problemen opspelen, je loopt bijvoorbeeld het risico dat je je vinger iets te hard op de plaat zet, zodat de naald verspringt, of je loopt het risico de plaat juist te vertragen doordat je hem niet voldoende naar voren helpt.
Hieronder wat andere manieren:
1) In plaats van het label van de plaat te gebruiken om de plaat te versnellen, kun je ook de middelste pin (waar je de plaat om legt) draaien
2) In plaats van het aanraken van de draaischijf met je vinger kun je de pitch fader gebruiken. Je kunt de de plaat even tijdelijk langzamer laten lopen totdat beide platen gelijk lopen. Dan kun je de pitch weer terugzetten in zijn oorspronkelijke positie. Het moeilijke hiervan is echter dat het lastig is de pitch weer EXACT op de oorspronkelijke positie terug te zetten (tenzij die oorspronkelijke positie ‘0’ was uiteraard).
Kies een methode die je prettig vindt. Het is aan jou.
Lijkt behoorlijk ‘basic’, vind je niet? Er zijn twee redenen waarom je het bovenstaande goed onder de knie moet krijgen. De eerste is dat het essentieel is dat je een plaat op het goede moment kunt starten en dat je het kunt laten verlopen zoals jij wilt en op het moment dat jij het wilt. De tweede reden is dat het je vertrouwd maakt met het aanraken van je platen (denk eraan: je ouders hebben je waarschijnlijk jarenlang verteld dat je de plaat alleen bij de randjes mag aanraken, niet op het bespeelde stuk), het leert je om te gaan met het gevecht met je draaitafel om de plaat stil te houden en maakt je vertrouwd met het algehele gebeuren. Nu heb je geleerd hoe je een plaat moet starten. Het volgende dat je moet leren is het veranderen van de snelheid van de muziek door middel van de pitch control, zodat je de platen op gelijke snelheid krijgt.
Dit is het moeilijkste deel van de basis van het DJ-en dat je tegen zal komen. Je kunt er van uitgaan dat het hierboven geschreven deel je een paar uur kost; het volgende deel echter kost de meeste mensen ergens tussen de paar dagen en de paar dagen, of, erger nog, een paar jaar. Het is afhankelijk van:
(1) Hoeveel je er mee oefent (2) Hoe goed je je hersenen kunt trainen naar twee verschillende tunes te luisteren (3) Hoe goed je je aandacht er bij kunt houden (4) De draaitafels die je gebruikt.
Houd je twee platen op je decks en houd je kanaalfaders omhoog en de crossfader in het midden. Je gebruikt je koptelefoon nog steeds niet.
Beweeg de pitch fader van het spelende deck (je gebruikt nog steeds identieke tunes) iets in de plus-richting (+2% ongeveer), zodat deze plaat sneller gaat draaien.
Ga nu te werk als je eerder deed, met het deck met de nieuwe plaat nog steeds op 0%. In een seconde of twee nadat je de plaat hebt gestart, zal deze ongelijk gaan lopen met de spelende plaat. Versnel met je hand de nieuwe plaat, zodat deze weer gelijk loopt met de spelende plaat. Zet direct de pitch van de nieuwe plaat ook op +2%. Je smokkelt nu een beetje (je weet immers dat de platen nu vrijwel dezelfde snelheid hebben en dus niet zo snel ongelijk zullen gaan lopen als eerst) maar dat mag nu nog.
Wat echter in de meeste gevallen zal gebeuren, is dat de beats van de twee platen na ongeveer 20 seconden toch uit elkaar gaan lopen.
Dat is niet zonder reden. Alhoewel je de twee pitch faders op 2 procent hebt gezet, heb je je daarbij gebaseerd op de schaalverdeling naast de pitch fader. Je hebt ze daardoor niet allebei op exact 2 procent kunnen zetten; je hebt er één (bijvoorbeeld) op 2.1% gezet en de andere op 2.5%. Dit verschil van 0.4% kan een verschil in snelheid tot (en zelfs meer dan) een beat per minuut betekenen.
Welnu. Wanneer je de twee platen uit elkaar hoort lopen, wat doe je dan? Het eerste dat je waarschijnlijk denkt is: “Hoe weet ik nou of de nieuwe plaat die ik zojuist versneld en bijgesteld heb nu langzamer of sneller loopt dan de al spelende plaat?”
Je kunt nu het beste te werk gaan aan de hand van ‘vallen en opstaan’. Ga er gewoon maar even van uit dat de plaat te langzaam loopt, en versnel de plaat dus een beetje. Nu zijn er twee mogelijkheden: je hebt een plaat sneller laten draaien die al sneller liep en dus nu helemaal uit de maat loopt met de spelende plaat, of je hebt de beats (vrijwel) aan elkaar gelijk gekregen.
Als je de platen gelijk hebt gekregen door de plaat een zetje te geven (te hebben versneld), beweeg de pitch dan een klein beetje in de +richting. Echt een heel klein beetje; een millimeter als dat lukt.
Als de platen juist helemaal verkeerd gingen lopen door deze te versnellen, rem deze nu dan af tot de beats weer aan elkaar gelijk lopen en beweeg de pitch een heel klein beetje in de –richting. Blijkbaar liep de nieuwe plaat juist langzamer dan de spelende plaat en werkte het versnellen juist averechts.
Blijf dit proces herhalen, totdat de platen lange tijd gelijk aan elkaar blijven lopen. Begin steeds weer opnieuw, leer de snelheid te veranderen en af te stellen, met bijvoorbeeld grote verschillen tussen de snelheid van beide platen.
Tot nu toe heb je het minder zwaar gehad omdat je gebruik maakte van twee dezelfde platen, met dus hetzelfde aantal Beats Per Minute (waaraan het tempo gerelateerd is). Daardoor weet je, als je de pitch van het ene deck op +4% zet, dat de platen een vrijwel gelijke snelheid zullen hebben als je de andere ook op +4% zet.
Voor de volgende stap gebruik je nog steeds twee identieke platen, maar probeer niet naar de pitch van het andere deck te kijken bij het gelijk zetten – gebruik je oren daarvoor. Dit vereist discipline, maar is niet onmogelijk. Luister gewoon wat er gebeurt met de beats, en probeer uit te vinden of dat betekent dat je de pitch moet versnellen of vertragen.
4.1 Je koptelefoon gaan gebruiken
Het enige dat je nu gaat veranderen aan bovenstaande werkwijze, is dat je één van de kanaalfaders naar beneden gaat doen. Eén plaat speelt via de boxen, de andere (de ‘cued’ track) ga je voorbeluisteren met de koptelefoon. Daarna kun je deze plaat door de boxen laten horen.
Het is goed kennis te maken met ‘single ear’ monitoring. Dit betekent dat je de koptelefoon met een schelp over een oor hebt en dat je het andere oor vrij houdt om naar het geluid via de boxen te luisteren. Je kunt hiertoe de andere schelp van de koptelefoon achter het oor zetten.
Als er een koptelefoon ‘split’ optie op je mixer zit, kun je deze zo instellen dat je de spelende plaat zacht door de koptelefoon hoort en de nieuwe (‘cue-’) plaat wat harder. Beweeg de nieuwe plaat over de eerste beat heen en weer op de maat van de muziek, laat de plaat op het goede moment los en luister door je koptelefoon of hij gelijk loopt met de spelende plaat. Eventueel kun je het volume van de spelende plaat in je koptelefoon verhogen of verlagen, zodat je je er prettig bij voelt.
Vanaf nu wordt het allemaal wat professioneler en moeilijker. Tot nog toe luisterde je naar het geluid via de boxen en gokte je maar of je de nieuwe plaat sneller of langzamer moest zetten wanneer deze ongelijk liep met de spelende plaat. Als je een beetje geoefend bent, kun je waarschijnlijk makkelijker zeggen of de plaat afgeremd of versneld moet worden. Dit is moeilijk als je beide platen via de boxen hoort, maar nog veel moeilijker als je de koptelefoon op één oor hebt en de spelende plaat uit de boxen knalt. Dit brengt ons bij het volgende deel.
JE OREN GEBRUIKEN
Het belangrijkste punt is dat wanneer twee platen ongelijk lopen, zij een verschillend geluid maken als de nieuwe plaat te snel of te langzaam loopt in vergelijking met de spelende plaat. Simpel gezegd: als de twee platen gelijk lopen hoor je BOOM, als de nieuwe plaat te snel loopt hoor je B-Loom, en als de nieuwe plaat te langzaam loopt iets van L-Boom. Dat is vrij verwarrend misschien en lastig te begrijpen; iedereen tegen wie ik dit eerder zei deed ‘huh?’, dus ik ga hier niet te lang op door.
Wat echter wel belangrijk voor je is om te begrijpen, is dat er een verschil is in het geluid dat de twee platen maken als de nieuwe plaat sneller of langzamer loopt dan de spelende plaat.
Iets dat je kunt proberen is dit te leren horen door vallen en opstaan. Stel net zo lang bij tot de platen precies gelijk lopen. Rem de nieuwe plaat nu eerst een beetje af en versnel deze straks een beetje en probeer het verschil in geluid te horen dat door je koptelefoon klinkt als je de nieuwe en spelende plaat (deze zachter) door je koptelefoon hoort.
4.2 Twee verschillende platen mixen
Hier wordt het allemaal wat lastiger. Tot nu toe had je het voordeel dat je wist dat de twee platen identiek waren en dus ook dezelfde snelheid hadden. Nu valt dit voordeel weg omdat we twee verschillende platen gaan gebruiken, die verschillend klinken en een verschillend aantal BPM hebben. Probeer twee platen te gebruiken die relatief eenvoudig in elkaar zitten. Als de platen ingewikkeld zijn, is het risico groot dat je de moed gaat verliezen. Als de plaat die je hiervoor gebruikte relatief simpel is en je er nog niet gek van wordt, kun je deze gebruiken en een simpele plaat erbij zoeken.
We komen nu op het punt van tempo’s en BPM’s (Beats Per Minute). Je hoeft niet het aantal BPM’s van je platen te brekenen als je dat niet wil. Sommige mensen vinden het handig te weten hoe snel hun platen zijn. Als sommige DJ’s gaan draaien, tellen ze de BPM’s van alle platen waarmee ze gaan oefenen. Zodra ze eenmaal kunnen draaien op deze manier, stoppen ze met tellen en beginnen hun oren te gebruiken.
Laten we er even vanuit gaan dat de ene plaat 130 BPM en de andere 135 BPM heeft. Zet een van de twee (laten we de 135 BPM plaat maar doen) op 0% pitch en start de plaat.
Als je de 130 BPM plaat nu op de goede manier start, zul je merken dat de beats van deze plaat al snel achter blijven bij de spelende plaat. Je moet dus de pitch van de nieuwe plaat verhogen. Je kunt kiezen; je kunt de pitch gewoon op een bepaald punt zetten, de plaat laten draaien en maar zien of de snelheid nu ongeveer klopt, of je pakt je rekenmachine erbij en rekent uit welk percentage je moet gebruiken om een 130BPM plaat op 135BPM te krijgen (iets minder dan +4%).
Het is natuurlijk aan jou, maar mensen zullen misschien een beetje lachen als ze jou aan het werk zien met een rekenmachine.
Hoewel je weet dat je de 130BPM plaat moet versnellen om op 135BPM uit te komen, is de kans groot dat je niet meteen exact de goede pitch kiest, maar je kunt er dicht bij zitten. Maar op welke manier zit je er dicht bij? Staat ie nog iets te snel of iets te langzaam? Op dit moment in het leerproces weet je dat gewoon nog niet. Wat je gewoon moet doen is luisteren naar hetgeen er gebeurt, maar dat is zeker niet het makkelijkste als je net begint.
Dit is wat ik voorstel. Je hebt de pitch van de nieuwe plaat verhoogd. Vind de eerste beat van de nieuwe plaat en start hem. Ging ie ongelijk lopen? Laten we het daar maar even op houden. Luister goed wat je hoort, luister naar de beats en probeer conclusies te trekken. Lukt niet? Ok. Stop de plaat en verhoog de pitch nog een klein beetje. Start weer opnieuw en luister wat er gebeurt. Loopt hij weer ongelijk na verloop van tijd? Ja? Welnu, als hij ongelijk ging lopen, en dit sneller gebeurde dan de vorige keer, dan stond de pitch waarschijnlijk al te hoog en heb je hem per abuis nog hoger gezet. Dus zet de pitch weer terug op de positie waarin hij net stond en zet de pitch nu een klein beetje lager. Herhaal de voorgaande procedure weer. En echt, blijf proberen, luister steeds goed naar de nieuwe plaat door je koptelefoon; concentreer je steeds op waar de beats zitten. Nu kan het helpen je voet op de grond te tikken op de maat van de spelende plaat – je kunt hiermee soms makkelijker zeggen of je de nieuwe plaat te snel of te langzaam laat draaien.
Wat nu regelmatig kan gebeuren is dat de nieuwe plaat dan weer te langzaam loopt en dan weer te snel. Dit kan komen doordat je de pitch teveel van positie verandert bij het bijstellen. Het kan zijn dat je alleen even tegen de pitch kan tikken om hele kleine veranderingen te doen, wees anders gewoon erg voorzichtig en precies als je de pitch moet bijstellen.
Iets dat je kunt proberen nu je hebt geoefend met het gelijk krijgen van de BPM’s, is de nieuwe plaat niet steeds te stoppen en opnieuw te beginnen, maar hem door te laten spelen en hetgeen je geleerd hebt in de praktijk te brengen: corrigeren en de pitch bijstellen. Omdat je met platen met verschillende BPM werkt kunnen ze op een gegeven moment natuurlijk uit elkaar gaan lopen, maar als je de beats weer aan elkaar gelijk kunt krijgen TERWIJL je de pitch afstelt, maak je snel progressie.
Het kan raar en lastig zijn om zowel de pitch te veranderen als de plaat te corrigeren, maar bedenk wel dat – wanneer je de plaat moet corrigeren – de kans groot is dat je de pitch ook moet bijstellen, zodat ze op elkaar afgestemd zijn.
Om te oefenen: Neem alle tijd die je nodig hebt om de platen gelijk te krijgen. Laat eventueel je koptelefoon weet even erbuiten en zorg ervoor dat je eerst de platen weer gelijk krijgt. Als de platen gelijk staan, versnel of vertraag je de nieuwe plaat (zonder de pitch – die immers goed staat – te veranderen). Luister naar het geluid via de boxen en naar de nieuwe plaat door de koptelefoon. Merk op hoe deze combinatie verschilt als de nieuwe plaat voor- dan wel achterloopt ten opzichte van de spelende plaat.
Als je het hierboven beschrevene goed onder de knie hebt (en je het voor elkaar krijgt de 130 BPM plaat gelijk te laten lopen aan de 135BPM plaat) kun je de situatie omdraaien. Stel de 130BPM plaat af op 0% en verlaag de pitch van de 135BPM plaat totdat deze gelijk loopt met de 130BPM plaat.
Blijf oefenen, ook met bijvoorbeeld vijf of zes platen; probeer verschillende combinaties en ga te werk als je eerst met de 130BPM en 135BPM platen deed. Neem de tijd om ze precies gelijk te krijgen en zodra dit het geval is, laat ze dan juist weer uit elkaar lopen door de snelheid aan te passen. Eerst een beetje, dan meer en meer. Doe dit in beide richtingen, luister naar en leer van het geluid dat je hoort door je koptelefoon.
Bedenk steeds dat je nog steeds aan het leren bent. Iedereen die kan draaien heeft deze basics moeten leren. Soms kan het ERG frustrerend zijn, maar als je veel oefent, je goed concentreert en probeert te genieten, dan kom je er wel!
4.3 Mixen met CD’s
Er zijn twee belangrijke soorten cd-spelers; met een JOG wheel en met een button-only besturing. Meestal werk je veel met de ‘SEARCH’ knop, waarmee je door het nummer kunt zoeken en de snelheid waarmee dat gebeurt afhankelijk is van de tijd dat je de knop ingedrukt houdt.
1) Zoek het nummer dat je wilt gebruiken (waarschijnlijk zit er een ‘SKIP’ button op het apparaat waarmee je dat kunt doen)
2) Zoek de positie waarvan je het nummer wilt starten. Veel CD’s hebben het gemak dat de muziek direct aan het begin start, zodat je niet naar het begin hoeft te zoeken. Er zijn ook nog makkelijkere CD’s, die direct beginnen met de eerste bass-drum. Zodoende hoef je niet naar het nummer te luisteren tot de eerste bass-drum start.
Als je weet dat de eerste bass-drum na bijvoorbeeld 30 seconden komt, gebruik dan de snelzoek functie op het apparaat om daar naar toe te gaan. Als je niet precies weet waar die bass-drum zit, luister dan gewoon tot je hem hoort. Hoe dan ook, zodra je de bass-drum hoort, druk op de ‘PLAY/PAUSE’ toets, zodat je het nummer op dat punt stil zet.
Gebruik nu de precieze afstemming om precies op het punt te komen waar de bass-drum inzet. Sommigen vinden het prettig om het ‘CUE’ punt een fractie eerder dat het eigenlijke begin van de bass-drum te zetten. Als je het goede moment gevonden hebt, druk je op PLAY/PAUSE.
Druk nu de ‘CUE’ knop in. Wat er nu zal gebeuren is dat de CD terug gaat naar het punt waar je op instelde. Als je dit niet gelooft, onthoud dan de precieze stand (tot op honderdste seconden) van het ‘CUE’ punt dat je gebruikte en vergelijk dit met de stand na gebruik van de ‘CUE’ knop.
3) Beat matching
Zodra je het goede cue punt hebt ingesteld, druk dan op play op het moment dat de bass-drum van het spelende nummer (door de speakers) plaatsvindt. De kans bestaat dat je te snel of te langzaam zit met je nieuwe CD.
Met de pitch knop aan kun je nu de pitch fader gebruiken om de CD sneller of langzamer te laten gaan om deze gelijk te krijgen met het spelende nummer. Je zult ook ‘PITCH BEND’ knoppen aantreffen op het apparaat. Omdat het zo kan zijn dat je nieuwe CD te snel of te langzaam hebt gestart, moet je deze gelijk krijgen met het spelende nummer (zonder nog naar de snelheid van de nieuwe CD te kijken). Als je bijvoorbeeld te snel gestart hebt druk je op de ‘–pitch bend’ knop totdat de beats gelijk lopen, en pas je de snelheid aan met behulp van de pitch fader zodra de nummers gelijk lopen (of direct terwijl je pitch bend gebruikt). Er bestaat een goede kans dat ze niet direct gelijk blijven lopen, blijf dus piutch bend en de pitch control gebruiken tot beide nummers gelijk blijven lopen.
4) De mix starten
Zodra je alles goed hebt afgesteld druk je op PLAY/PAUSE om het nieuwe nummer te stoppen en op CUE om de CD terug te zetten naar het startpunt. Als het goede moment daar is, druk je op PLAY op het apparaat. Als je iets te vlug was hiermee, of juist iets te langzaam, gebruik je de pitch bend knoppen om de platen gelijk te krijgen.
Met ‘loop’ kun je breaks en beats uitrekken om langere en meer funky mixen te maken of het publiek te teasen met kunstjes terwijl je zwaar aan het opbouwen bent. Je kunt het ook gebruiken om fragmenten van andere CDs te samplen en loopen.
Het fijne van CDs is dat de enige manier waarop ze uit de maat kunnen gaan lopen is dat je de pitch niet goed hebt gebruikt, dus zolang dat het geval is en je er zeker van bent dat de twee nummers synchroon lopen is het enige waar je je druk om hoeft te maken het bedienen van je mixer om een goede mix te maken.
5. Beat structuren
In dance/house/trance music tref je meestal een 4/4 maat aan, hetgeen betekent dat er VIER BEATS (tellen) in EEN MAAT zitten.
In de meest eenvoudige dance: Beat 1 is een bass drum, beat 2 is een bass drum en snare (of clap), beat 3 is weer een bass drum en beat 4 is weer een combinatie bass drum en snare drum (of clap)
Het versimpelde drum patroon voor deze ene maat is dus iets van: Bass drum – hi-hat (tchss geluid) – bass drum met snare – hi-hat (halve maat) bass drum – hi-hat – bass drum met snare – hi-hat (tweede helft van maat)
In het begin van de meeste nummers bevindt zich een intro. Dit intro kan de vorm aannemen van een erg simpele bass drum beat of het kan een muzikaal intro zijn, allerlei leuke geluidjes en vocale samples. Of het kan nog anders van aard zijn.
In principe kan een intro elke gewenste lengte hebben. Hier zullen we uit gaan van een 8 maten intro (de meest populaire lengte is 8 of 16 maten).
We hebben het over een leuk, eenvoudig intro, met aan het eind van de 8 maten een duidelijke aanwijzing dat de ‘kern’ van het nummer begint, het eerste couplet. Ons denkbeeldige nummer heeft een couplet lengte van 16 maten. Je zult in de meeste nummers na 4 maten een aanwijzing horen dat de volgende 4 maten beginnen. Hiermee krijgen veel nummers ook een iets ander verloop (bijvoorbeeld een ingewikkelder bass of drum patroon, meer geluidjes, etcetera). Waarschijnlijk is het alleen een bekken of een bepaalde nadruk ergens, maar luister er maar eens goed naar.
Laten we zeggen dat er nog 8 maten zijn, met hetzelfde soort break tussen de sets van 4 maten zoals hiervoor. In totaal hebben we dan de 16 maten van het couplet gehad. We gaan dan naar het ‘refrein’ van het nummer.
Resumerend hebben we dus 4 sets van 4 maten die het couplet vormen.
Nu komen we dus bij het ‘refrein’ van het nummer. Waarschijnlijk bestaat dit uit slechts 8 maten (2 clusters van 4) met een leuke opbouw tussen de twee clusters en een leuke nadruk aan het einde.
Meestal treffen we in dance platen nu een kleine BREAKDOWN of brug. Hier verliest het nummers soms aan kracht, de beats vallen bijvoorbeeld weg waardoor er alleen nog maar wat achtergrond geluid achterblijft. Of het kan andersom zijn; dat de achtergrondgeluiden wegvallen en alleen de bass drum over blijft en misschien nog wat bas geluiden – of iets anders dat het onderscheidt van de rest van het nummer; het ligt aan hoe ze het geschreven hebben!
De meeste bruggetjes tussen het refrein en het volgende couplet duren 8 maten of maximaal 16, anders wordt de dansvloer ongeduldig! Normaal vindt er een crescendo (opbouw) plaats in de laatste vier maten, en boem, je zit weer helemaal in het nummer!
In het volgende couplet zal hetzelfde gebeuren als hiervoor – niet noodzakelijkerwijs met het geluid van het stuk, maar nog steeds met het 4x4 format.
Refrein – een beetje hetzelfde als hiervoor. Niet veel nieuws hier!
Nu (in ons virtuele nummer) komen we bij de monster break. Deze kan wel 16 maten duren ofzo.
Voor veel nummers geldt dat de eerste 8 maten gebruikt worden om een beetje aft e bouwen, en de volgende 8 maten om juist weer op te bouwen naar het resterende van het nummer.
Na deze grote break zijn we weer teru in het nummer – in de meeste gevallen betekent dit dat we in het refrain terecht komen, maar in andere gevallen betreft het hier een couplet of een bruggetje (mini break) tussen de grote break en de rest van het nummer. Dit stuk zal dan – als de grote break een beetje goed werd opgebouwd – lekker stevig zijn (bijvoorbeeld de bass lijn en simpele drums zijn er nog steeds) maar het is wel anders dan het geluid van refrein of couplet.
Zodoende belanden we nu bij het refrain of een couplet, gevolgd door het tegenovergestelde (als het een refrein was komen we nu bij het laatste couplet, als het een couplet was zullen we weer bij het refrein komen). Als het gaat om een refrein na couplet, dan is er een grote kans dat er nog een mini break komt, gevolgd door twee of vier refreinen.
Dit refrein zal óf herhaald worden tot het eind van het nummer (DJ-onvriendelijke fade-out), óf er zullen 16 maten volgen met alleen beats of iets anders om de DJ te helpen het volgende nummer in te mixen.
Dat was dus ons virtuele nummer. Er zijn vele varieties op dit format mogelijk, maar het belangrijkste om te onthouden is dat muziek uiteen valt in structuren – of onderdelen, die je goed van pas komen bij het mixen.
We kunnen ons virtuele nummer als volgt beschrijven:
INTRO - 16 maten COUPLET 1 - 16 maten (4 clusters) REFREIN 1 - 8 maten (2 clusters) BRUG - 8 maten COUPLET 2 - 16 maten (4 clusters) REFREIN 2 - 8 maten (2 clusters) GROTE BREAK - 16 maten REFREIN 3 - 8 maten (2 clusters) COUPLET 3 - 16 maten (4 clusters) REFREIN 4 - 8 maten (2 clusters) REFREIN 5 - 8 maten (2 clusters) EIND - 16 maten
6. Mix technieken
1) Break mixen: Kan heel funky zijn als je het een beetje kunt. Deck A staat op het punt om in een break terecht te komen. Plaat B start met een bass drum en niet veel anders. De break van A en het intro van B hebben ongeveer dezelfde lengte. Zorg dat de platen gelijk staan, zodat ze op gelijke snelheid draaien. Houd B klaar vóór de eerste beat. Zodra deck A bij de eerste beat van het intro is, zet je de crossfader in het midden en laat je B gaan (Uiteraard kun je er ook voor kiezen je crossfader niet te gebruiken). Zorg dat ze prima gelijk lopen en zodra de break van A eindigt, begint de ‘body’ van B; alles wat je hoeft te doen is de crossfader over te schuiven en je mix is gelukt. Probeer een grote ‘woosh’ te voorkomen bij het erin gooien van B. Op een gegeven moment zul je dit goed kunnen, misschien moet je eerst werken met de crossfader op een kwart bij het starten en deze snel daarna naar het midden zetten. Als de break in A op het einde loopt, beweeg je de crossfader in de richting van B (zodat deze nu het hardst klinkt); je kunt A nog wel horen, maar relatief zacht. Dit alles zorgt ervoor dat je een grote verandering van de sound kunt voorkomen.
Ook kan het zijn dat het intro van B rustig is, dat het bijna zelf een break is. Als de break in A begint gooi je het intro van B erin. Het kan even duren voordat dit lukt (nog langer kan het duren platen te vinden die hiervoor geschikt zijn), maar als je ook nog een beetje oefent met de kill switches om de bas eruit te halen, kan het erg leuk worden.
2) Tegenovergestelde van hierboven. Plaat A eindigt met alleen een bass drum. Plaat B begint alsof het een break is. Gooi B in A, zodra A eindigt begint de ‘body’ van B.
2b) Met bass drum. Dit is precies hetzelfde als hierboven, behalve dat het intro van B een bass drum in zich heeft. Gebruik de kill switches om naar geluid te voorkomen, wacht tot A eindigt, gooi de bas terug in B en klaar ben je.
3) Spinback. Dit kan heel gaaf zijn maar pas op: als je het teveel gebruikt kunnen mensen gaan denken dat je het doet omdat je niet kunt mixen! Het kan erg gewaardeerd worden echter, en als je een beetje vast zit met een mix kan het wel eens je redding betekenen. Het gaat als volgt: zet de platen gelijk en laat ze zo spelen dat de maten van beide platen op hetzelfde moment eindigen. Zodra de maat van A eindigt en B op het punt staat om echt stevig te worden, plaats je je vinger op het label van A en trekt de plaat terug, behoorlijk scherp. Als je A ‘back spint’ gooi je B erin. Als je timing goed is stopt A met terugdraaien op het moment dat je de crossfader helemaal naar B schuift. Als plaat A scherpere, duidelijkere hi-hats etc. heeft dan plaat B, kan het een beetje raar gaan klinken. Dit kun je voorkomen door B al even zachtjes mee te laten draaien met plaat A. Als je dan de spinback doet en A eruit gooit klinkt het niet meer zo vreemd en anders.
4) Power-offs en Dood-stops. De meeste betere decks, die een goed remsysteem hebben, stoppen binnen een seconde als je op de stop/start knop drukt tijdens het afspelen.
Het idee hier is dat je op de laatste beat van een maat de stopknop indrukt van deck A. Er van uitgaande dat de remtijd van je deck de goede lengte heeft, zal de plaat helemaal tot stilstand komen in het tijdsbestek van één beat – zodat hij precies op tijd, vlak voor de volgende beat, ‘dood’ is. Uiteraard is de volgende beat de eerste beat van een volgend cluster, dus je beweegt je crossfader naar plaat B, die uiteraard al gelijk liep met plaat A. Je zult zelf het wanneer, waar en de te gebruiken platen moeten uitvinden – soms klinkt het onwaarschijnlijk gaaf en gaat de zaal los, soms klinkt het alsof er een amateur achter de draaitafels staat.
De ‘Power-off’ is het uitdraaien van de draaitafel, zodat deze langzaam maar zeker tot stilstand komt. Dit is vooral gaaf om te doen wanneer je een goede licht jockey naast je hebt staan. Wacht tot je bij het goede punt bent en draai dan simpelweg de draaitafel uit, gewoon met het knopje waarmee je dat normaal gesproken alleen eind van de avond doet.
De meeste mixers hebben 3-delige toonregeling per kanaal, sommige hebben bij elk een knopje zitten ‘cut’ (of ‘kill’). Als je hier op drukt haal je in één keer de betreffende toon eruit.
a) De Treble Eruit. Er zijn niet zoveel gelegenheden dat je de treble eruit MOET doen, maar soms kan een schelle hi-hat of stem er voor zorgen dat je mix slecht klinkt, of de twee hi-hats kunnen samenvallen waardoor ze elkaar óf uitschakelen, óf rare (soms gave!) effecten veroorzaken. Dus het verlagen van de treble, zodat deze niet zo luid klinkt als de treble van plaat A maar nog wel aanwezig is, kan de mix beïnvloeden. Denk er wel aan de treble er weer in te gooien; een leuke optie is de treble van plaat B er een paar maten uit te laten, en deze erin te gooien op het moment dat je de treble van plaat A eruit haalt. Dit kan echt je mix nog beter maken. Pas wel op dat je er niet TEVEEL uit haalt, dan verlies je namelijk de dynamiek van plaat A.
b) De Bas Eruit. Dit kent veel toepassingsmogelijkheden. Het eruit halen van de bas kan helpen wanneer je twee nummers niet heel goed bij elkaar klinken. Kill de bas van plaat B en gooi B erin, laat A en B gelijk lopen, en dan als de maat eindigt gooi je de bas van B erin en de bas van A eruit. Dit werkt het beste met nummers die wel precies gelijk lopen; als er een melodie of zang in de platen zit zal het eruit laten van de bas niet helpen; de stem zal bijvoorbeeld duidelijk uit de maat lopen. Het zal een hoop oefening kosten, soms klinkt het eruit halen van alle bas erg slecht maar klinkt het goed als je er een klein beetje bas in laat. Oefenen, oefenen, oefenen.
Het killen van de bas helpt ook wanneer je de beats tegelijk laat lopen. Soms zul je merken dat wanneer je plaat B (die een bass drum intro heeft) mixt in A (die een bass drum outro heeft), de drums met elkaar botsen. Dit kan op twee manieren gebeuren; óf ze versterken elkaar, óf ze schakelen elkaar praktisch uit. Als je de bas van plaat B eruit haalt los je dit probleem op, je gaat dan verder door de bassen van beide platen gradueel over te laten lopen, of B erin te gooien op het moment dat je A eruit haalt. Je mix zal dan naadloos klinken. Ook hier ligt het aan het nummer waar het om gaat.
Je kunt hele leuke effecten creëren door alle toonregelingen te gebruiken; probeer het en je zult het merken.
Hoe snel je je crossfader omzet hangt vaak heel erg af van de sound van je mixen. Je zult kunnen vaststellen hoe je het best de fader kunt gebruiken als je heel goed naar de nummers luistert voordat je ze gaat mixen. Sommige nummers hebben een heel erg crescendo begin (dus gradueel steviger wordend), zodat je ze ‘laag’ in plaat A kunt mixen; dus dat je het crescendo op de achtergrond hoort plaatsvinden. Als het crescendo bij zijn hoogtepunt komt schuif je de crossfader naar het midden (of een klein beetje in de richting van plaat B), de toonregeling en fader van plaat B staan relatief hoog (zodat B krachtiger klinkt dan A), en als de laatste ‘pow’ van het intro van B klinkt schuif je de crossfader helemaal naar B.
Als de plaat die je erin gaat mixen (plaat B) bijvoorbeeld een simple bass/hi-hat intro heeft, is de beste manier om dit nummer erin te gooien vaak op de hi-hats. Opnieuw is het weer afhankelijk van plaat A (hoe ingewikkeld deze is), maar je kunt vaak subtieler mixen als je de hi-hats eerst introduceert, waardoor je meer geluid hoort bij elke ‘strike’. Het gaat hetzelfde voor het eruit halen van een nummer zodra plaat B dominant is geworden ten opzichte van A. Je hoeft je niet te richten op elke hi-hat ‘strike’ (dat kan de mix een beetje te snel laten gebeuren), maar hen te gebruiken als leidraad helpt wel.
Je zou moeten eindigen met een lijst met nummers waarvan je weet dat je ze goed met elkaar kunt mixen. Voor een tijdje is prima, maar probeer jezelf niet zo te beperken dat je denkt dat alleen deze platen bij elkaar passen.
6.1 Timing
Een ander heel belangrijk punt is het plaatsen of timen van je mix.
Als je kijkt naar het virtuele nummer dat eerder werd genoemd, dan is er een aantal plaatsen waar je goed zou kunnen mixen. Laten we er even van uit gaan dat de plaat die je erin gaat mixen dezelfde structuur heeft als de plaat die je eruit gaat halen. Bijvoorbeeld:
INTRO - 16 maten COUPLET 1 - 16 maten REFREIN 1 - 8 maten BRUG - 8 maten COUPLET 2 - 16 maten REFREIN 2 - 8 maten GROTE BREAK - 16 maten REFREIN 3 - 8 maten COUPLET 3 - 16 maten REFREIN 4 - 8 maten REFREIN 5 - 8 maten EIND - 16 maten
1) De eerste manier waarop we deze twee nummers kunnen mixen is het gebruikmaken van de intro’s en uitro’s. Laten we er even vanuit gaan dat het intro muzikaal is, zonder enige beat, en dat het uitro alleen bestaat uit beats. Start simpelweg het intro van B zodra het uitro van A begint. Dit kan behoorlijk spannend zijn, want je wilt de fader ongeveer driekwart open hebben staan op het moment dat je plaat B start en hem al snel helemaal open zitten. Elke fout die je maakt bij het timen zal direct gehoord worden. Maar het kan erg goed klinken. Het klinkt alsof een heel nieuw nummer gestart is, maar omdat de drums van plaat A nog doorlopen houd je eigenlijk iedereen tevreden.
Plaat A eindigt met bijvoorbeeld een bekken, precies op het moment dat plaat B begint aan de stevigere kern van het nummer. Haal plaat A eruit en laat B op het goede volume horen.
2) Nu gaan we er van uit dat plaat B dezelfde structuur heeft, maar dat het intro nu alleen uit een simpele bass drum bestaat. Na het intro verandert het in een fijn nummer. Plaat A heeft een simpele bass beat als uitro.
Start plaat B 16 maten voor het einde van plaat A (16 maten is ook de lengte van het intro van B). Kill de bas, kill de hi-hats een beetje. Gooi de fader helemaal open en aan het eind van maat 8 gooi je de hi-hats om (dus die van A eruit, van B erin).
Plaat A staat op het punt aan het outro te beginnen. Gooi op het moment dat het outro begint de bas van plaat B helemaal aan (terwijl de fader helemaal open staat) en gooi plaat A er in één keer uit, of kill de bas ervan en laat deze lopen op de hi-hats voor de volgende 4 maten. Een goeie manier om de platen in elkaar over te laten lopen.
3) Haal het punt dat je plaat B erin gooit nog eens 16 maten naar voren. Wat er nu zal gebeuren is dat het intro van plaat B zal overgaan in de kern van het nummer, voordat plaat A zijn ding gedaan heeft. Gebruik dezelfde methode als hierboven om de plaat erin te gooien en de tonen te veranderen (het kan ook handig zijn de ‘mid’ te gebruiken). En wat betreft de bas: gooi de bas van plaat B er helemaal in zodra de plaat met de kern begint en haal de bas van plaat A eruit. Hoeveel bas je er precies uithaalt is afhankelijk van de complexiteit van de bas lijn en van de mate waarin de nummers op elkaar lijken. Dan, als plaat A op het punt staat te beginnen met het intro, kun je de plaat eruit gooien of uitfaden.
4) Soms is het cool het 8 maten/16 maten format van het intro NIET te volgen. Het mixen kan namelijk een beetje voorspelbaar worden op die manier. Dus als je twee goede nummers hebt en moedig genoeg bent om het risico te lopen dat mensen je vragend gaan aankijken, probeer dan de laatste twee opties maar dan met 12 en 4 maten in plaats van 16 of 8 maten. Toegegeven, 4 maten voor het einde zal waarschijnlijk beter klinken, alhoewel je wel een paar maten met alleen maar drums zal hebben op deze manier. Maar dat kan de anticipatie van het publiek weer ten goede komen – tenminste, als je set tot nu toe voldoende goed was om de mensen op je hand te hebben.
Enigszins aangepast en overgenomen met de toestemming van Top DJ Gear, New York, US. Kopiëren of anderszins overnemen van deze tekst is niet toegestaan zonder toestemming van zowel ToneControl O.D.S. als Top DJ Gear.
